9 Februari 2012 //
JC
Betaal niet te veel onroerende voorheffing
Terwijl u zich afvraagt wat de regering bekokstooft rond fiscaliteit, mag u niet vergeten om te doen wat nu al kan. Zo betalen nogal wat industriële bedrijven teveel onroerende voorheffing via de post ‘materieel en outillage’.

Bij de onroerende voorheffing denken veel bedrijfsleiders aan een belasting op de gebouwen en gronden die de onderneming bezit, maar ze zien vaak over het hoofd dat ook onroerende voorheffing betaald wordt op ‘materieel en outillage’, zo meent Petra De Peuter van De Witte - Viselé Associates.

 

Materieel en outillage, zeg maar de toestellen, machines en andere installaties die worden gebruikt voor de activiteiten van het bedrijf, zijn veelal roerende goederen die beschouwd worden als onroerende goederen uit hun aard of door hun bestemming en de grondslag van de onroerende voorheffing voor materieel en outillage is het kadastraal inkomen. In 1998 bepaalde de Vlaamse Overheid hiervoor een ‘drempelwaarde’. Deze regeling voorzag ook dat nieuwe investeringen werden vrijgesteld en dat buitengebruikstellingen (vb. verkoop, vernietiging,...) niet konden worden verrekend, voor zover het kadastrale inkomen van het totale machinepark door deze buitengebruikstellingen niet onder deze drempelwaarde uitkwam.

 

Om ondernemingen ertoe aan te zetten om hun machinepark te moderniseren en bijgevolg efficiënter en ecologischer te produceren, besliste de Vlaamse Overheid in 2008 om het toepassen van deze drempelwaarde af te schaffen en een nieuwe vrijstellingsregeling in te voeren.

“Ondertussen blijkt dat vele ondernemingen het sinds 1998 niet altijd even nauw namen met de aangifteplicht van investeringen of buitengebruikstellingen van materieel en outillage, aangezien ze jaarlijks toch op dezelfde basis werden belast in de onroerende voorheffing,” zo stelt Petra De Peuter vast. “Een correcte weergave van het machinepark leek niet zo belangrijk. Toen daar verandering in kwam, liepen ze dus belangrijke besparingen mis.”

 

Voor optimalisering van die situatie kunnen bedrijven alvast eens kijken naar hun kadastraal inkomen, zo adviseert De Peuter: “Het is denkbaar dat de belastbare basis zoals werd aangegeven bij de administratie van het kadaster nog berekend wordt met heel wat uitrusting van voor 1998, maar waar het bedrijf al lang geen gebruik meer van maakt.” Aanpassingen daarvan veronderstellen wel overleg met mensen van het kadaster en je moet die ook documenteren. Praktisch gesproken kunnen medewerkers van de boekhouding best een lijst aanleggen en die doornemen samen met collega’s uit productie. Op die manier krijgt men een dossier voor het kadaster.”

 

Een probleem daarbij is trouwens dat kadastrale ambtenaren uit uiteenlopende regio’s niet noodzakelijk dezelfde vragen stellen en/of documenten verlangen. “Om die reden is het geen slecht idee dat men op voorhand weet wat de kadasters in kwestie precies zullen verlangen, voor men aan de slag gaat,” zo waarschuwt De Peuter.

 

Daarnaast speelt ook de - al sedert jaar en dag bestaande - mogelijkheid om een vermindering van de onroerende voorheffing te bekomen indien (een deel van) het machinepark niet gebruikt werd gedurende een bepaalde periode van het aanslagjaar.

 

Meer daarover in FDMagazine van maart 2012