20 Oktober 2011 //
Redactie
Naar minder vennootschapsbelasting en meer btw
Vennootschapsbelastingtarieven dalen al tien jaar gestaag, terwijl overal ter wereld belastingen zijn ingevoerd over de toegevoegde waarde (btw) en op goederen en diensten.

Op het vlak van de tarieven voor vennootschapsbelasting en indirecte belastingen tekenen zich in 2011 dezelfde trends af als de voorgaande jaren. Uit de jaarlijkse Corporate and Indirect Tax Survey van KPMG International blijkt dat de vennootschapsbelastingtarieven al een tiental jaar gestaag dalen, terwijl er overal ter wereld systemen zijn ingevoerd met belasting over de toegevoegde waarde (btw) en belastingen op goederen en diensten. Na verloop van tijd zijn de tarieven van die indirecte belastingen ook gestegen en werden ze ingevoerd voor steeds meer goederen/diensten.


 “Internationale ondernemingen zullen de juiste mix van middelen in huis moeten hebben om zowel de inkomstenbelasting als de indirecte belastingen te beheren en op deze langetermijntrend te kunnen inspelen”, zo concludeert Koen Maerevoet, Managing Partner KPMG Belastingconsulenten en Juridische Adviseurs bij KPMG.


 Volgens het KPMG-onderzoek is het wereldwijd gemiddeld tarief van de vennootschapsbelasting de voorbije 11 jaar telkens gedaald, van 29,03% in 2000 tot 22,96% in 2011.


 Voor de regio’s afzonderlijk stellen de onderzoekers het volgende vast:



  • Het gemiddelde tarief in de regio Azië/Stille Oceaan is gedaald van 23,96% in 2010 tot 22,78% in 2011;

  • In Latijns-Amerika daalde het gemiddeld tarief van 25,33% in 2010 tot 25,06% in 2011;

  • Noord-Amerika ging van 23,67% in 2010 naar 22,77% in 2011;

  • Oceanië ging van 24,17% in 2010 naar 23,83% in 2011;

  • Europa was de enige regio die een kleine stijging liet optekenen, van 19,98% in 2010 tot 20,12% in 2011.

  • In Afrika bleef het gemiddeld tarief stabiel.

 Maerevoet concludeert dat de vennootschapsbelastingtarieven niet langer zullen dalen, zoals ze dat een decennium lang deden.


 


Indirecte belastingen


De gemiddelde tarieven van de indirecte belastingen zijn wereldwijd stabiel gebleven en lagen de voorbije drie jaar rond het 2011-gemiddelde van 15,41%. Zonder rekening te houden met de landen die geen btw heffen, stelt men het volgende vast:


 



  • In Afrika is het gemiddeld btw -tarief gestegen van 13,91% in 2010 tot 14,17% in 2011, terwijl het gemiddeld tarief in Azië is gestegen van 11,64% in 2010 tot 11,73% in 2011;

  • In Oceanië is het gemiddelde tarief gestegen van 12% in 2010 tot 12,5% in 2011;

  • In Europa is het gemiddelde btw-tarief licht gestegen, van 19,67% in 2010 tot 19,71% in 2011;

  • In Latijns-Amerika is het tarief gedaald van 13,90% in 2010 tot 12,78% in 2011.

 


“Overheden maken steeds meer gebruik van indirecte belastingen om economisch verantwoorde redenen”, verklaart Maerevoet. “In vergelijking met inkomstenbelastingen zijn btw-inkomsten namelijk minder onderhevig aan economische ups en downs en dus stabieler, hun inkomstenbasis is minder mobiel en hun inning in real-time zorgt voor een regelmatiger stroom aan opbrengsten. Maar het belastingbeleid wordt evenzeer of zelfs meer gestuurd door politieke dan door economische overwegingen.”


De wereldwijde verschuivingen in de gemiddelde tarieven van vennootschaps- en indirecte belastingen geven echter niet het totale plaatje. Daarvoor moeten we kijken op het niveau van de individuele landen en belastingbetalers.


Belastingtarieven zijn niet meer dan een uitgangspunt voor vergelijkingen tussen landen: wat echt telt, zijn de bruto bedragen van de betaalde en ontvangen inkomstenbelasting en het bruto debiet aan btw van de onderneming, d.i. het totaal van haar wereldwijde omzet, aankopen en btw.


Het KPMG-rapport wijst er echter op dat er naast vennootschapsbelasting en btw nog andere belastingen kunnen worden geheven op lonen, eigendom, omzet enzovoort. Internationale bedrijven moeten al die kosten en de wisselwerking ertussen grondig bestuderen. Ze kunnen hun wereldwijde belastingaanslag dan ook gevoelig verminderen indien ze met deze factoren rekening houden voor de totale belastingkost van hun activiteiten, activa en inkomsten per locatie.


 


En België?


Inzoomend op België stelt KPMG vast dat België gebukt gaat onder een hoge belastingdruk. Ons land zit zowel inzake tarief vennootschapsbelasting als btw bij de koplopers.



  • Vennootschapsbelasting: in Europa (43 landen) heeft België het hoogste tarief (met uitzondering van Malta dat een faciaal hoger tarief heeft, maar een belastingkrediet geeft bij uitkering van de vennootschapswinst). Alle ons omringende landen hebben in de voorbije jaren het tarief in zake vennootschapsbelasting laten dalen en/of laten dit in de nabije toekomst nog verder dalen (o.a. Nederland, UK …). België heeft in 2005 gekozen voor de invoering van de notionele interestaftrek in plaats van een tariefverlaging  -  een innovatieve maatregel. De notionele wijzigen is dus een directe belastingverhoging die ingaat tegen de algemene trend en hiermee komt men terug op vroeger gemaakte afspraken.

  • Btw: het tarief in België bedraagt al jaren 21%. Enkel de Scandinavische landen en een aantal Oost-Europese landen (Hongarije, Polen) hebben een hoger tarief. In het kader van de aangekondigde crisismaatregelen zijn een aantal landen echter een inhaalbeweging aan het maken. 

  • Crisismaatregelen: wanneer we specifiek gaan kijken naar de maatregelen die landen nemen die het ergst door de financiële crisis getroffen zijn dan stellen we vast dat deze opteren voor een verhoging van de btw (Ierland geleidelijke stijging van 21 naar 23 % vanaf 2014 - Griekenland (stijging naar 23 % in 2010), Portugal (23 % vanaf 1/1/2011) , Italië (van 20 naar 21 % in de loop van 2011), UK (van 17,5 naar 20 % sinds 4/1/2011)) eerder dan te opteren voor een verhoging van de vennootschapsbelasting. Dat is een logische keuze. Een btw-verhoging heeft, in tegenstelling met een verhoging van de vennootschapsbelasting, minder impact op de economie en het investeringsklimaat en heeft bovendien een rechtstreeks en onmiddellijk effect voor de staatsfinanciën.